Wie bewaakt de bewakers? Waarom Curaçao niet bang moet zijn voor controle

WILLEMSTAD – De afwijzing van een motie voor aanvullende controle op de jaarrekeningen van overheidsaccountantsbureau SOAB roept vragen op over de manier waarop Curaçao toezicht houdt op publieke middelen. Volgens docent en ondernemer Eugène Maduro gaat het daarbij niet alleen om de vraag of de bestaande controles voldoende zijn, maar vooral om het vertrouwen van burgers in hun democratische instellingen. In deze ingezonden opinie pleit hij voor een bestuurscultuur waarin onafhankelijke controle niet als bedreiging wordt gezien, maar als voorwaarde voor goed bestuur.
door | Eugène Maduro
Op 29 september stemde een meerderheid van de Staten tegen een motie om de jaarrekeningen van Stichting Overheids Accountants Bureau (SOAB) door de Algemene Rekenkamer Curaçao te laten controleren. De motie van MAN-PIN, PNP en PAR kreeg vijf stemmen vóór en acht tegen.
De coalitie stelde daarbij dat de Algemene Rekenkamer de jaarrekeningen van SOAB al had gecontroleerd en dat SOAB daarnaast extern door BDO wordt gecontroleerd. De oppositie vond juist dat er onvoldoende inzicht was in de besteding van het budget en vroeg om aanvullende controle.
Daarmee is de discussie niet simpelweg: wie heeft gelijk? De veel belangrijkere vraag is: welke boodschap sturen wij hiermee naar het volk?
Wanneer het parlement de mogelijkheid krijgt om een onafhankelijke controle-instantie naar de besteding van publieke middelen te laten kijken en daar vervolgens geen meerderheid voor wordt gevonden, kan dat bij burgers de indruk wekken dat extra controle kennelijk ongewenst is.
Dat hoeft niet de bedoeling van de tegenstemmers te zijn. Maar in een democratische rechtsstaat gaat het niet alleen om de bedoeling van een besluit. Het gaat ook om het vertrouwen dat zo’n besluit bij de samenleving oproept. En juist daar moeten wij voorzichtig mee zijn.
Controle is geen aanval
De Algemene Rekenkamer is geen politieke tegenstander van de regering. Het is een onafhankelijk instituut dat juist is ingesteld om de inkomsten en uitgaven van het Land te onderzoeken.
De Rekenkamer beschrijft zelf dat onafhankelijk toezicht op publieke middelen transparantie, verantwoording en integriteit moet versterken.
Waarom zouden wij bang moeten zijn voor méér controle als wij ervan overtuigd zijn dat alles goed gebeurt?
Controle is geen aanval. Controle is geen gebrek aan vertrouwen. Controle is juist een essentieel onderdeel van vertrouwen.
Daarmee komen wij bij een fundamenteler probleem.
Wie bewaakt integriteit?
Als het parlement de regering moet controleren, wie controleert dan het parlement wanneer een meerderheid besluit een voorgestelde onafhankelijke controle niet te steunen?
En wanneer die meerderheid bestaat uit leden die de regering ondersteunen, ontstaat bij de burger vanzelf de vraag of parlementaire controle nog voldoende onafhankelijk kan functioneren.
Dat is geen beschuldiging van corruptie. Het is een vraag over checks and balances.
Want een democratie werkt niet alleen omdat wij verkiezingen houden. Een democratie werkt omdat macht wordt gecontroleerd door andere machten en instituties.
De regering bestuurt. Het parlement controleert. De onafhankelijke controleorganen onderzoeken. En de samenleving kijkt mee.
Wanneer één schakel in die keten onvoldoende kritisch functioneert, wordt het moeilijker om het vertrouwen van de bevolking te behouden.
Transparantie is geen vijand van de regering
Wij moeten daarom oppassen dat controle niet wordt gezien als een politieke aanval.
Een regering die transparant wil zijn, zou juist moeten kunnen zeggen: ‘Controleer ons maar.’
Want als uit een onafhankelijke controle blijkt dat de administratie klopt, dat middelen rechtmatig zijn besteed en dat procedures zijn gevolgd, dan wordt de regering daar uiteindelijk sterker van.
En als er wél tekortkomingen worden gevonden, dan is het beter dat die worden ontdekt, besproken en opgelost.
Het echte probleem ontstaat wanneer wij controle gaan zien als een bedreiging.
Dan verschuift de vraag van: ‘Is alles goed geregeld?’ naar: ‘Waarom willen wij niet dat onafhankelijk wordt onderzocht of alles goed geregeld is?’
Dat zijn twee totaal verschillende bestuursculturen.
Wat voor natie willen we zijn?
Wij spreken vaak over de toekomst van Curaçao. Over autonomie. Over goed bestuur. Over integriteit. Over economische ontwikkeling.
Maar een volwassen democratische natie wordt niet alleen gekenmerkt door het vermogen om zichzelf te besturen. Een volwassen democratische natie durft ook zichzelf te controleren.
Daarom is de vraag die wij onszelf moeten stellen niet alleen: hoeveel geld heeft de regering? Maar ook: wie controleert hoe dat geld wordt besteed?
Niet alleen: wie heeft de macht? Maar ook: wie controleert degene die de macht heeft?
En misschien wel de belangrijkste vraag: wie bewaakt de bewakers?
Want publieke middelen zijn geen geld van een regering. Het is geld van het volk. En wie namens het volk over dat geld beslist, moet ook bereid zijn om namens het volk gecontroleerd te worden.
Transparantie is geen teken van zwakte. Ik blijf dit benadrukken.
Controle is ook geen aanval. Verantwoording is geen vernedering.
Het zijn de fundamenten van een democratische samenleving.
Als wij werkelijk een autonoom en volwassen Curaçao willen zijn, moeten wij niet alleen de moed hebben om zelf te regeren.
Wij moeten ook de moed hebben om onszelf streng te controleren.




































